Geheimhouding in een vaststellingsovereenkomst met een overheid – waar ligt de grens?
Roosendaal, 3 april 2025
Juridisch aangevuld september 2026
In de met mij gesloten vaststellingsovereenkomst (VSO) heeft de gemeente Roosendaal een geheimhoudingsplicht opgenomen.
Nu de gemeente Roosendaal zich naar mijn mening niet aan de gemaakte afspraken houdt, heb ik mij nader verdiept in de vraag hoever een dergelijke geheimhoudingsclausule eigenlijk kan en mag gaan.
Mijn oorspronkelijke gedachte was eenvoudig: hoe kan een overheid enerzijds transparantie en integriteit van burgers verlangen en anderzijds een burger contractueel verplichten te zwijgen over het handelen van diezelfde overheid?
Na verdere bestudering ligt het juridisch genuanceerder. Een geheimhoudingsbeding in een vaststellingsovereenkomst met een overheidsinstantie is niet per definitie verboden of onrechtmatig. Er kunnen legitieme redenen bestaan voor vertrouwelijkheid, bijvoorbeeld ter bescherming van persoonsgegevens of belangen van derden.
Maar daarmee is de discussie niet afgelopen.
De veel belangrijkere vragen zijn:
Wat wordt met de geheimhouding beschermd? Waarom is de geheimhouding overeengekomen? Wat wisten de betrokken ambtenaren en bestuurders toen deze bepaling werd opgesteld? En kan een overheid een geheimhoudingsbeding gebruiken wanneer mogelijk sprake is geweest van strafbare feiten?
Juist die vragen zijn in mijn dossier van groot belang.
1. Een overheid is geen gewone contractspartij
Een vaststellingsovereenkomst is een privaatrechtelijke overeenkomst. Maar een gemeente houdt niet op overheid te zijn op het moment dat zij een overeenkomst met een burger sluit.
De overheid blijft gebonden aan publiekrechtelijke normen en beginselen.
Daarbij is openbaarheid geen vrijblijvende bestuurlijke gunst. Artikel 110 van de Grondwet bepaalt:
“De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.”
Dat betekent niet dat iedere interne e-mail, onderhandeling of overeenkomst automatisch openbaar moet zijn. Er bestaan wettelijke uitzonderingen en gerechtvaardigde belangen die vertrouwelijkheid kunnen rechtvaardigen.
Maar het betekent naar mijn mening wél dat een overheidsorganisatie bijzonder terughoudend moet zijn met het contractueel het zwijgen opleggen aan een burger wanneer de informatie betrekking heeft op het handelen van die overheid zelf.
Zeker wanneer het gaat om mogelijke fouten, misstanden, integriteitsschendingen of strafbare feiten.
2. Geheimhouding mag geen middel worden om overheidshandelen aan controle te onttrekken
Een geheimhoudingsbeding kan een legitiem doel dienen.
Dat wordt anders wanneer geheimhouding zou worden gebruikt om bestuurlijke of politieke reputatieschade te voorkomen, kritiek van een burger onmogelijk te maken of relevante informatie over mogelijk onrechtmatig handelen buiten het publieke debat te houden.
Een overheid moet immers controleerbaar blijven.
Gemeenteraad, rechter, journalistiek, toezichthouders, politie, justitie en uiteindelijk de burger moeten hun respectieve rollen kunnen vervullen.
Daarom vind ik dat bij een geheimhoudingsbeding in een VSO waarbij de overheid partij is altijd de vraag gesteld moet kunnen worden:
welk gerechtvaardigd belang wordt met deze geheimhouding beschermd?
3. De Belastingdienst trekt zelf een duidelijke grens
Interessant is hoe een andere Nederlandse overheidsorganisatie hiermee omgaat.
De Belastingdienst publiceert zelf welke afspraken niet in een vaststellingsovereenkomst mogen worden opgenomen.
Daaronder vallen expliciet:
-
strafzaken of de melding van strafbare feiten;
-
geheimhouding die verder gaat dan de wet toestaat.
Dat is veelzeggend.
Dit beleid van de Belastingdienst is niet automatisch een algemene wettelijke regel die één-op-één op iedere gemeente van toepassing is.
Het laat echter wél zien dat ook binnen de overheid wordt onderkend dat er grenzen bestaan aan hetgeen door middel van een VSO kan worden afgesproken.
Een vaststellingsovereenkomst kan kennelijk geen vrijbrief zijn om wettelijke grenzen te omzeilen.
En zeker wanneer mogelijke strafbare feiten in beeld komen, moet uiterst zorgvuldig worden gekeken naar hetgeen partijen door middel van geheimhouding proberen af te schermen.
4. Wat als er mogelijk strafbare feiten zijn gepleegd?
Daarmee kom ik bij de voor mijn dossier belangrijkste vraag.
Wat gebeurt er wanneer een geheimhoudingsbeding wordt opgesteld terwijl ambtenaren of bestuurders weten dat mogelijk strafbare feiten zijn gepleegd?
Het enkele opnemen van een geheimhoudingsbeding is daarmee natuurlijk nog geen misdrijf.
Daarvoor is veel meer nodig.
Maar wanneer een geheimhoudingsbeding bewust zou worden opgesteld of gebruikt met het doel strafbare feiten te verhullen, bewijsmiddelen buiten het bereik van politie of justitie te houden, opsporing of vervolging te bemoeilijken of iemand te beïnvloeden in hetgeen hij tegenover een rechter of ambtenaar verklaart, komt een heel andere juridische situatie in beeld.
Dan kunnen ook bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht relevant worden.
5. Artikel 189 Wetboek van Strafrecht – het bedekken van een misdrijf
Artikel 189 van het Wetboek van Strafrecht bevat bepalingen die zien op gedragingen nádat een misdrijf is gepleegd.
Daaronder valt onder meer het met het oogmerk een misdrijf te bedekken of de opsporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, vernietigen, wegmaken, verbergen of aan het onderzoek van politie of justitie onttrekken van voorwerpen of andere sporen van dat misdrijf.
De bepaling ziet ook op bepaalde gedragingen waarbij voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen aan onderzoek of inbeslagneming worden onttrokken.
Dat betekent uiteraard niet dat ieder geheimhoudingsbeding onder artikel 189 Sr valt.
Integendeel.
Daarvoor moet aan de specifieke wettelijke bestanddelen van het strafbare feit zijn voldaan, waaronder het vereiste opzet en het in de wet omschreven oogmerk.
Maar de bepaling maakt wel duidelijk dat de wet een grens trekt:
wanneer na een misdrijf bewust wordt gehandeld met het doel dat misdrijf te bedekken of opsporing of vervolging te bemoeilijken, kan dat handelen zelf strafrechtelijk relevant zijn.
Daarom is niet alleen de tekst van een geheimhoudingsbeding belangrijk.
Ook het doel waarmee het is opgesteld of gebruikt kan van belang zijn.
6. Artikel 285a Wetboek van Strafrecht – beïnvloeding van een verklaring
Ook artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht kan onder bepaalde omstandigheden relevant zijn.
Dit artikel stelt strafbaar het opzettelijk beïnvloeden van iemands vrijheid om naar waarheid of geweten tegenover een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen, wanneer degene die beïnvloedt weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat zo'n verklaring zal worden afgelegd.
Ook hier geldt nadrukkelijk:
een contractuele geheimhoudingsplicht is niet automatisch beïnvloeding in de zin van artikel 285a Sr.
Maar wanneer een geheimhoudingsbeding zou worden ingezet om iemand ervan te weerhouden tegenover een bevoegde rechter of ambtenaar naar waarheid te verklaren, kan niet simpelweg worden volstaan met de mededeling: u heeft nu eenmaal een geheimhoudingsbeding getekend.
Dan moet worden onderzocht wat precies is afgesproken, hoe het beding wordt toegepast en met welk doel dat gebeurt.
7. De cruciale vraag: wat wisten de betrokkenen bij het opstellen van mijn VSO?
En daarmee kom ik terug bij mijn eigen zaak.
Ik stel op deze plaats niet vast dat het opnemen van de geheimhoudingsbepaling in mijn VSO een strafbaar feit oplevert.
Dat zou een conclusie zijn die onderzoek vereist.
Maar ik vind inmiddels wél dat een andere vraag moet worden gesteld:
Wat wisten degenen die deze geheimhoudingsbepaling hebben opgesteld en goedgekeurd op het moment dat zij dat deden?
Ik vind daarom dat de volgende vragen moeten worden beantwoord:
Wie heeft voorgesteld de geheimhoudingsbepaling in mijn VSO op te nemen?
Wie heeft de tekst daarvan opgesteld?
Welke ambtenaren, bestuurders en eventuele externe adviseurs waren daarbij betrokken?
Welke kennis hadden deze personen op dat moment van de gebeurtenissen die aan de VSO voorafgingen?
Wisten zij dat ik bepaalde gedragingen van ambtenaren en bestuurders als mogelijk onrechtmatig of strafbaar beschouwde?
Welke informatie wilde de gemeente concreet onder de geheimhoudingsbepaling brengen?
Was het de bedoeling dat ik door deze bepaling ook niet meer met derden, toezichthouders, politie, justitie of andere bevoegde instanties over bepaalde gebeurtenissen zou kunnen spreken?
En is ooit juridisch getoetst of de gekozen geheimhoudingsbepaling, gezien de inhoud van mijn dossier, toelaatbaar en proportioneel was?
Dat zijn naar mijn mening volstrekt legitieme vragen.
8. Het verschil tussen vertrouwelijkheid en een doofpot
Vertrouwelijkheid en het verbergen van misstanden zijn twee totaal verschillende zaken.
Het beschermen van persoonsgegevens van derden kan legitiem zijn.
Het vertrouwelijk houden van bepaalde onderhandelingsposities kan eveneens legitiem zijn.
Maar wanneer geheimhouding zou worden gebruikt om te voorkomen dat mogelijke misstanden, onrechtmatig overheidshandelen of mogelijke strafbare feiten worden onderzocht, spreken we over iets wezenlijk anders.
Dan gaat het niet meer uitsluitend over contractenrecht.
Dan raken we aan de fundamenten van behoorlijk en controleerbaar openbaar bestuur en – afhankelijk van de concrete feiten en het aanwezige opzet – mogelijk zelfs aan het strafrecht.
9. Daarom stel ik mijn oorspronkelijke standpunt bij – maar wordt mijn vraag juist scherper
Toen ik dit stuk oorspronkelijk schreef, formuleerde ik mijn standpunt te absoluut.
Ik stelde feitelijk dat het opleggen van een geheimhoudingsbeding aan een burger door een overheid op zichzelf al onverenigbaar was met een integere overheid.
Dat is juridisch te kort door de bocht.
Een overheid kan onder omstandigheden rechtsgeldig vertrouwelijkheid overeenkomen.
Maar mijn huidige vraag vind ik veel fundamenteler:
waarvoor is de geheimhoudingsplicht in mijn VSO met de gemeente Roosendaal bedoeld, en wat wisten degenen die deze bepaling opstelden op het moment dat zij dat deden?
Wanneer de geheimhouding uitsluitend legitieme vertrouwelijke belangen beschermt, moet de gemeente dat eenvoudig kunnen uitleggen.
Wanneer een geheimhoudingsbeding echter bewust zou zijn opgesteld of gebruikt om mogelijke strafbare feiten, bewijsmiddelen of de rol van overheidsfunctionarissen buiten het bereik van onderzoek door bevoegde instanties te houden, ontstaat een fundamenteel andere situatie.
Dan kan, afhankelijk van de concrete feiten, het doel en het vereiste opzet, zelfs de vraag rijzen of degene die dergelijke geheimhouding opstelt of gebruikt daarmee zelf strafrechtelijk relevante grenzen overschrijdt.
Ik stel niet vast dat dit in mijn dossier is gebeurd.
Ik vind wel dat het onderzocht moet worden.
Conclusie
Een geheimhoudingsbeding in een vaststellingsovereenkomst met een overheid is niet per definitie verboden.
Maar geheimhouding kent grenzen.
De Belastingdienst erkent die grenzen bij zijn eigen VSO's expliciet: geen afspraken over strafzaken of de melding van strafbare feiten en geen geheimhouding die verder gaat dan de wet toestaat.
Het Wetboek van Strafrecht trekt daarnaast grenzen wanneer iemand na een misdrijf bewust handelt om dat misdrijf te bedekken of opsporing en vervolging te bemoeilijken (artikel 189 Sr), of wanneer iemand opzettelijk probeert de vrijheid van een ander te beïnvloeden om tegenover een rechter of ambtenaar naar waarheid of geweten te verklaren (artikel 285a Sr).
Daarmee is niet gezegd dat de geheimhoudingsbepaling in mijn VSO strafbaar is.
Maar het betekent naar mijn mening wel dat de gemeente niet kan volstaan met de mededeling:
“U heeft getekend voor geheimhouding.”
De relevante vragen zijn:
Waarom is deze geheimhouding bedongen?
Wie heeft haar opgesteld?
Wat wist men op dat moment?
Wat wilde men geheimhouden?
En waarvoor is het beding vervolgens gebruikt?
Die vragen wil ik beantwoord zien.
Want een geheimhoudingsbeding mag vertrouwelijke belangen beschermen.
Het mag geen instrument worden om mogelijke strafbare feiten aan onderzoek te onttrekken.
Een integere overheid zou er geen enkel bezwaar tegen moeten hebben dat juist dát wordt onderzocht.
Bart Nibbering